De Olympische Spelen van 2012 : Hebben de BOIC-normen nog recht van bestaan ?

Jul 13, 2017 | Sportrecht algemeen

Op 9 december 2010 maakte het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC) zijn eigen criteria voor deelname aan de Spelen van 2012 bekend. De zogenaamde BOIC-normen stuitten al enkele jaren op ernstige kritiek vanuit de hoek van de sporters, begeleiders en sportcommentatoren. In onderhavige analyse wordt onderzocht of de selectiepolitiek van het BOIC nog een bestaansrecht heeft en zij de druk van het toenemend aantal juridische procedures zal kunnen blijven weerstaan.

Het BOIC is één van de weinige nationale Olympische comités die bovenop de internationale criteria van het IOC eigen strengere selectienormen hanteert. De Belgische sporter die door zijn internationale sportfederatie goed genoeg wordt bevonden om deel te nemen aan de Olympische Spelen, moet dus nog eerst het BOIC van zijn competentie overtuigen alvorens hij zijn “road to victory” kan verder zetten. Deze eigen selectiepolitiek werd decennia geleden ingevoerd door huidig IOC-voorzitter, dr. Jacques Rogge, om het Olympisch toerisme tegen te gaan : alleen atleten die het echt waard waren, verdienden uitzending naar de Olympische Spelen.

Volgens critici zou het BOIC noch over de bekwaamheid, noch over de autoriteit beschikken om als een soort van ‘madame non’ sporters haar dictaten onder de vorm van criteria op te dringen.[1] Een minder subjectief argument contra de BOIC-normen is dat sinds de invoering van internationale normen de eigen selectiepolitiek van het BOIC achterhaald is. Tegenwoordig kan immers gerust gesteld worden dat elke sporter die de IOC-normen weet te halen, zijn selectie echt wel heeft verdiend. De selectiepolitiek van het BOIC heeft overigens het perverse internationale effect dat een sporter van een andere nationaliteit, die lager op de wereldranglijst staat gerangschikt, in de plaats treedt van de niet geselecteerde Belgische sporter.

Alvorens de juridische geldigheid van de BOIC-normen te onderzoeken, dringt de vraag zich op welk belang het BOIC er bij heeft om atleten die hun internationaal niveau hebben bewezen, te weigeren in te schrijven voor deelname aan de Olympische Spelen. Zo goed als alle kosten van transport en verblijf van de Olympische sporters worden gedragen door het IOC, en het thuisland van de Spelen. Aan de inschrijving van enkele atleten meer, zal het BOIC dus geen financiële kater overhouden. Het financiële en sportieve nadeel voor de betrokken (semi-) professionele sporter in geval hem of haar de deelname aan het grootste sportieve evenement ter wereld wordt geweigerd, is daarentegen moeilijk te onderschatten. Om nog maar te zwijgen van de emotionele drama’s die met dergelijke beslissingen gepaard gaan.

Philip Berben, bestuurslid van het BOIC, verdedigde de selectienormen voor de Spelen van 2012 als een beleidsbeslissing : “we willen serieus genomen worden. Het opzet is dat de atleten die wij selecteren in aanmerking komen voor de top acht”.[2] Los van het feit dat dit ‘beleid’ zich niet echt laat weerspiegelen in de vierjaarlijkse karige medailleoogst van de Belgen, is deze uitspraak vooral opmerkelijk omdat zij regelrecht ingaat tegen de beslissing van het ad hoc arbitragetribunaal in de arbitragezaak die de tennissers Olivier Rochus en Steve Darcis in 2008 hadden aangespannen wegens hun niet-selectie voor de Spelen Peking. Beide tennissers hadden aan de IOC-criteria voldaan, maar niet aan de strengere BOIC-normen. Het arbitragetribunaal oordeelde dat er in beginsel geen formeel bezwaar bestaat dat het BOIC aan de kandidaten striktere inschrijvingsvoorwaarden oplegt op voorwaarde dat de beperkingen die deze striktere voorwaarden voor de Belgische atleten met zich meebrengen kunnen gerechtvaardigd worden op de legitieme doelstelling om een Belgische vertegenwoordiging van kwaliteit te leveren op de Olympische Spelen, zodat daaruit volgt dat deze beperkingen enkel kunnen gerechtvaardigd zijn wanneer de toepassing ervan proportioneel is aan de realisatie van voormelde doelstelling. Met betrekking tot de zaak Rochus-Darcis besloot het arbitragetribunaal dat de betrokken tennissers gezien hun ATP-klassement, zich elk al hadden bewezen, en er redelijkerwijs niet van verdacht konden worden zich als dromerige amateurs te gedragen. De bijkomende selectiecriteria, gesteld door het BOIC, waren dus niet als dusdanig gerechtvaardigd. Een verdedigbare beslissing. Indien elk nationaal Olympisch comité enkel die sporters zou meenemen die bij de top 8 van de wereld behoren, zouden heel wat voorronden en zelfs halve finales op de Olympische Spelen moeten worden afgeschaft, bij gebrek aan voldoende deelnemers.

Darcis en Rochus zijn niet de enige sporters die hun niet-selectie juridisch hebben aangevochten. De kajakkers Wouter D’haene en de atleet Krijn Van Koolwijk trokken naar de Kortgedingrechter. Tevergeefs, want “te laat” oordeelde de kortgedingrechter, de inschrijvingen voor deelname aan de Olympische Spelen waren al afgerond. Sporters die naar de rechtbank trekken om de BOIC-normen in vraag te stellen, staan nochtans niet zonder juridische argumenten. In eerste instantie blijft het discutabel of het BOIC wel over een reglementaire basis beschikt om eigen strengere normen op te leggen. Volgens de Olympische Code legt het IOC zelf, in samenspraak met de betrokken internationale federatie de selectiecriteria vast. De nationale Olympische comités staan vervolgens slechts in voor de inschrijving en begeleiding van de atleten. Het Internationale Arbitrageorgaan CAS/TAS alsook de Rechtbank van Brussel hebben evenwel reeds geoordeeld dat de nationale Olympische Comité’s het laatste woord mogen hebben bij de inschrijving van sporters voor deelname aan de Olympische Spelen.[3] De vaststelling blijft echter dat bezwaarlijk kan gesteld worden dat het BOIC een gerechtvaardigd financieel of moreel belang heeft om bepaalde sporters te weigeren in te schrijven voor deelname aan de Spelen.

Zelfs al beschikt het BOIC over het recht en het nodige belang om eigen strengere selectiecriteria te hanteren, geeft dit haar nog geen vrij spel. Sportfederaties hebben voor de inschrijving van hun atleten aan internationale tornooien weliswaar de mogelijkheid om selectiecriteria in te bouwen, doch deze criteria dienen objectief en redelijk te zijn, en het hoeft weinig betoog dat een federatie haar eigen reglementen moet naleven en de selectiecriteria die zij zelf vastlegde, ook moet respecteren.[4] Kortom, ook het BOIC dient zich als een normale, zorgvuldige en redelijke selectieheer te gedragen.

Daar wil inzake de selectiepolitiek van het BOIC het schoentje wel eens wringen. Wat betreft de objectiviteit en de redelijkheid van de vastgestelde normen, zal het, gelet op het feit dat een rechter geen sportdeskundige is, niet eenvoudig zijn om de rechter te overtuigen dat een welbepaalde selectielimiet onredelijk zou zijn.[5] De benadeelde sporter staat evenwel sterker wanneer het gaat om de wijze waarop het BOIC zijn eigen normen lijkt toe te passen. Het BOIC behoudt voor zichzelf namelijk de mogelijkheid om sporters die niet aan zijn eigen strengere criteria hebben voldaan, te delibereren en toch op te nemen in de Olympische selectie. Sporters die zich in de “grijze zone” bevinden, moeten dan bang afwachten tot zij het definitieve oordeel van het BOIC via de pers vernemen. De reden waarom bepaalde sporters wel gedelibereerd worden en andere niet, wordt officieel niet meegedeeld. Het lijkt er in dat geval op dat het BOIC zijn eigen selectieregels niet respecteert en op willekeurige wijze toepast. De arbitraire toepassing van de eigen selectieregels, kan zo leiden tot de conclusie dat het BOIC zich niet als een normale, zorgvuldige en redelijke selectieheer gedraagt, en bijgevolg in de rechtsorde foutief optreedt.

De vrees voor nieuwe procedures in 2012, en vooral het oordeel van het arbitragetribunaal in de zaak Rochus-Darcis dat voor het BOIC als een totale verrassing kwam, leek aanvankelijk aan de basis te liggen voor de brede selectie van de Winterspelen van Vancouver in 2010. Deze brede selectie blijkt nu echter geen voorbode te zijn geweest voor een afschaffing van de eigen selectiecriteria. Wel heeft het BOIC zijn selectiepolitiek aangepast in die zin dat voortaan een selectiecommissie zal instaan voor de deliberaties en beslissingen duidelijk zullen gemotiveerd worden. Ontegensprekelijk een stap vooruit, doch het is maar de vraag of deze aanpassingen aan de werkwijze, de polemiek zal doen verdwijnen en het risico op rechtszaken zal doen verminderen. De kans dat een relatief groot aantal sporters gefrustreerd zal moeten thuisblijven van de Spelen van Londen, blijft groot.

Zo zal het uiteindelijk toch nog de rechter zijn die zal uitmaken of de strengere selectiecriteria – die zo goed als het bestaansrecht vormen voor het BOIC – , zelf nog recht van bestaan hebben.

 

[1] Sportjournalist Hans Vandeweghe in Het Nieuwsblad van 10 december 2010.

[2] De Morgen 10 december 2010.

[3] Rb. Brussel 18 januari 2010, onuitg. AR 2008/15221/A. ; TAS ad hoc division 4 augustus 2010, OG 08/003

[4] Rb. Namen 6 februari 1996, Sportrechtspraak 2.2.3, nr. 67 en Rb. Brussel 14 oktober 1998, Sportrechtspraak 2.2.3, nr. 100.

[5] Hoewel bezwaarlijk kan gesteld worden dat de limiettijd opgelegd aan de Belgische marathonlopers voor deelname aan de OS van 2008 ernstig was. Het BOIC stelde toen een selectietijd van 2:09’45” voorop, terwijl de A-limiet van het IOC 2:15’00” bedroeg en slechts 4 van de beste 15 atleten op het WK in 2007 de Belgische Olympische limiettijd hadden gelopen. Uiteindelijk hebben slechts twee lopers op de Olympische Spelen onder de BOIC-limiet gelopen.