Het ontslag van een voetbaltrainer : Hoe diep is de kelk?

Nov 23, 2012Rechtspraak, Sportrecht algemeen

Zelfs niet-voetballiefhebbers konden de laatste weken nog moeilijk ontsnappen aan de saga rond het ontslag van trainer Georges Leekens bij voetbalclub Club Brugge. Het ontslag ging al enkele weken in de lucht, maar Georges moest eerst de kelk tot de bodem leeg drinken. De vernedering tegen ‘Essevee’ was de spreekwoordelijke laatste druppel. Medelijden met Georges is nergens te bespeuren, al is het maar (of vooral) omdat Leekens naar verluid recht zou hebben op een immense ontslagvergoeding.

“Club Brugge wil geen 2,5 miljoen euro aan ontslagvergoeding betalen.”

Over het bedrag van de ontslagvergoeding deden in de pers de wildste geruchten de ronde. Club Brugge liet in een krant verstaan alvast geen 2,5 miljoen euro aan ontslagvergoeding te willen betalen. Club Brugge heeft echter weinig te willen : Georges en Club zullen het juridische speelveld moeten betreden om tot een vergelijk te komen. De grenzen van dat speelveld worden getrokken door de toepasselijke ontslagregels en hetgeen partijen in het arbeidscontract zijn overeengekomen. Dit laatste is ons niet bekend. Het onderzoek naar de van toepassing zijnde ontslagregels, is dan weer een uitdaging.

De unieke wet op de betaalde sportbeoefenaar

Voor de hoge ontslagvergoedingen in het voetbal wordt verwezen naar de zogenaamde Wet op de betaalde sportbeoefenaars.[1] Deze wet regelt de arbeidsverhouding tussen de sportbeoefenaar en zijn werkgever. Volgens artikel 5 lid 1 van de Wet op de betaalde sportbeoefenaars kan een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur onmiddellijk en kosteloos, dus zonder ontslagvergoeding, door elk van de partijen worden beëindigd door middel van een eenvoudig aangetekend schrijven, dat uitwerking heeft de derde dag na verzending.

Gebeurt de opzegging niet bij aangetekend schrijven en zonder dringende reden, dan is alsnog een opzegvergoeding verschuldigd. Het bedrag van die ontslagvergoeding wordt volgens artikel 5 lid 2 bij Koninklijk Besluit bepaald. Wordt een overeenkomst van bepaalde duur voortijdig beëindigd, dan heeft de benadeelde partij recht op het loon verschuldigd voor de nog resterende contractduur, met dien verstande dat deze vergoeding nooit meer mag zijn dan het dubbel van hetgeen verschuldigd is in geval van beëindiging van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.

De Wet op de betaalde sportbeoefenaars werd zelden toegepast en het KB dat de ontslagvergoedingen moest vastleggen is er zelfs nooit gekomen. Tenminste, tot het Europese Hof van Justitie in haar befaamde Bosmanarrest besliste dat de clubs geen transfervergoeding kunnen vragen voor spelers na de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst.[2] Een vanuit arbeidsrechtelijk perspectief volstrekt logische beslissing. Clubs en Bond schreeuwden moord en brand. Een speler kon immers gemakkelijk en goedkoop zijn arbeidsovereenkomst (van onbepaalde duur) beëindigen en het Bosmanarrest verzekerde de speler in dat geval nu ook nog een kosteloze overgang naar een andere club.

Om het transfersysteem in stand te houden, sluiten clubs sindsdien enkel nog arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur met hun spelers. Het Bosmanarrest zegt namelijk niets over het verhandelen van spelers in de loop van de arbeidsovereenkomst. Steun vanuit politieke hoek deed vervolgens de rest. Nadat er gedurende 20 jaar geen uitvoering was gegeven aan artikel 5 lid 2 van de Wet op de betaalde sportbeoefenaars legde de Minister van Tewerkstelling Miet Smet bij KB van 10 januari 1997, de ontslagvergoedingen vast op een maximum van 36 maanden. De regering waarin mevrouw Smet stond toen onder leiding van premier Jean-Luc Dehaene, notoir Club supporter. De huidige hoge opzegtermijnen zijn vastgelegd in het KB van 13 juli 2004, en bedragen al naargelang het loon nog steeds maximum 18 maanden, maar kunnen dus verdubbeld worden in geval de beëindiging betrekking heeft op een contract van bepaalde duur. [3]

Op het eerste zicht zijn de hoge opzegvergoedingen in het voordeel van de voetballer, ware het niet dat de Wet op de betaalde sportbeoefenaars uniek is in die zin dat de ontslagvergoeding die moeten nageleefd worden in geval van ontslag dezelfde zijn voor de werknemer als voor de werkgever. Met andere woorden, gelet op de hogere ontslagvergoedingen is het voor een speler financieel quasi onmogelijk om zijn contract te verbreken en zich “(transfer)vrij te kopen”. De clubs zijn dus vrijwel zeker dat de speler nooit op eigen initiatief zijn contract zal beëindigen, tenzij een toekomstige club-werkgever de speler hierbij helpt, wat dan weer alleen mogelijk is wanneer beide clubs tot een vergelijk komen aangaande een transfervergoeding. De club kan er dus op rekenen dat de speler zijn contract nakomt en hem nog steeds “verkopen”, maar dan enkele tijdens de loop van het contract. Het nadeel voor de clubs is dat zij nu en dan opgescheept zitten met een speler die niet voldoet, waar geen enkele club interesse in vertoont, maar die wel nog een langdurig contract heeft, dat te kostelijk is om op te zeggen.

De voetbaltrainer : een uniek exemplaar

De Wet op de betaalde sportbeoefenaars is van toepassing op de sportbeoefenaars waarvan het loon een bepaald bedrag overschrijdt dat jaarlijks wordt vastgelegd bij Koninklijke Besluit. Deze loondrempel ligt zeer laag en bedraagt momenteel € 9 027.[4] Met sportbeoefenaars wordt bedoeld de personen die de verplichting aangaan zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of –exhibitie onder het gezag van een andere persoon. Er bestaat discussie of trainers ook onder het begrip ‘sportbeoefenaar’ vallen. De Wet op de betaalde sportbeoefenaars voorziet dat de Koning het toepassingsgebied van de wet kan uitbreiden. De Koning heeft van dit recht gebruik gemaakt en bij Koninklijke Besluit van 15 december 2006 de voetbaltrainer expliciet onder het toepassingsgebied van de Wet op de betaalde sportbeoefenaars gebracht.[5] De voetbaltrainer is dus een uniek exemplaar onder de sporttrainers en zijn ontslag kan een dure aangelegenheid worden. In het geval Leekens kan de ontslagvergoeding derhalve tot 30 maanden loon bedragen in de veronderstelling dat hij een jaarlijkse loon had van meer dan € 100 000 en reeds 6 maanden van zijn 3-jarig contract heeft gepresteerd.

Nu kwam er steun vanuit onverwachte hoek. Na de premier en de Koning was het de beurt aan de sociale partners. Nauwelijks een jaar na de invoering van het KB van 15 december 2006 hebben de sociale partners de gevolgen ervan grotendeels teniet willen doen middels het sluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst. De cao van 12 december 2007 betreffende de algemene loon-en arbeidsvoorwaarden van de betaalde voetbaltrainer bepaalt namelijk in artikel 3 dat

niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst, de tussen een club-werkgever en een voetbaltrainer gesloten overeenkomst als voetbaltrainer, aanzien wordt als een arbeidsovereenkomst voor bedienden en geregeld door de bepalingen van desbetreffende wetgeving, zijnde de wet van 3 juli 1978, in het bijzonder voor wat betreft het aangaan, de schorsing en de beëindiging van de overeenkomst”. [6]

Dit betekent dat Leekens voor wat betreft de ontslagvergoeding niet onder het toepassingsgebied van de Wet op de betaalde sportbeoefenaars zou vallen, maar onder de gewone arbeidsovereenkomstenwet.

In de hypothese dat het ontslag van Leekens tot een rechtszaak zou leiden, kan een interessant vonnis worden verwacht. Het valt namelijk niet te betwisten dat artikel 3 van de cao van 12 december 2007 (voetbaltrainer valt onder de wet van 3 juli 1978) strijdig is met het KB van 15 december 2006 (voetbaltrainer valt onder de wet van 24 februari 1978). Aangezien dwingende wetsbepalingen voorrang hebben op de toepassing van de bepalingen van een algemeen bindend verklaarde in een paritair comité gesloten cao, zou artikel 3 van de CAO geen uitwerking mogen hebben. Artikel 51 van de CAO-wet dat de hiërarchie van de bronnen van verbintenissen in de arbeidsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers vaststelt, herhaalt uitdrukkelijk het principe dat wanneer twee normen met hetzelfde voorwerp onderling onverenigbaar zijn, de norm van de lagere orde ter zijde moet geschoven worden. In dat geval zou Leekens dan toch nog recht hebben op de hogere ontslagvergoeding zoals voorzien in de Wet op de betaalde sportbeoefenaars. Er blijft aldus onduidelijkheid bestaan over de toepasselijke regelgeving inzake het ontslag van een voetbaltrainer. Te meer ook over de geldigheid van het Koninklijk Besluit van 15 december 2006 het laatste woord nog niet gezegd is.

Ontslag in het voetbal : een unieke deal

Een voetbaltrainer die aan de slag gaat bij een club heeft één zekerheid : op een dag wordt hij ontslagen. Leekens is wat dit betreft trouwens een ervaringsdeskundige, Club Brugge was zijn twintigste werkgever. Doorgaans hebben trainers weinig moeite om een nieuwe club-werkgever te vinden. Enkele dagen na zijn ontslag bij Cercle Brugge kon Bob Peeters al aan de slag bij AA Gent. Trainers en clubs hebben er alle belang bij om hun discussies binnenkamers te regelen en het spel niet te hard te spelen. De voetbalwereld is een kleine wereld. Trainers die al te hard op hun strepen gaan staan, riskeren potentiële club-werkgevers af te schrikken en clubs die zich niet soepel opstellen, zullen door trainers worden gemeden. Het ontslag van een voetbaltrainer wordt dan ook meestal geregeld bij overeenkomst.

De ontslagvergoeding kan voor de hoogste bedienden (minimum jaarloon € 62 934) geregeld worden op het ogenblik van de indiensttreding, dus in de arbeidsovereenkomst zelf. Artikel 7 van Wet op de betaalde sportbeoefenaars verbiedt evenwel alle bedingen die strijdig zijn met de bepalingen omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst inzoverre zij de rechten van de sportbeoefenaar zouden inkrimpen. Met andere woorden, een ontslagvergoeding die lager ligt dan hetgeen waarop de sportbeoefenaar wettelijk recht heeft volgens de Wet op de betaalde

 

 

[1] Wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, B.S. 9 maart 1978.

[2] HvJ 15 december 1995, C415/93, Jur. 1995, 4921.

[3] KB van 13 juli 2004 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding bedoeld in artikel 5, tweede lid van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor sportbeoefenaars, B.S. 3 augustus 2004.

[4] Koninklijk besluit van 18 juni 2012 tot vaststelling van het minimumbedrag van het loon dat men moet genieten om als een betaalde sportbeoefenaar te worden beschouwd, B.S. 29 juni 2012.

[5] KB van 15 december 2006 tot uitbreiding van de toepassing van de bepalingen van de Wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars tot voetbaltrainers, BS 27 december 2006.

[6] CAO van 12 december 2007 betreffende de algemene loon-en arbeidsvoorwaarden van de betaalde voetbaltrainer, B.S. 2 oktober 2008.