Leve de burgerrechter

Jul 13, 2017 | Arbitrage, Sportrecht algemeen

“Eupen legt een bom onder de competitie”, zo titelde De Morgen nadat voetbalclub AS Eupen net voor de start van de eindronde een kortgeding had aanspannen tegen de Voetbalbond. “Rechter legt Play-offs lam”, blokletterde De Standaard nadat de rechter Eupen in het gelijk had gesteld. Voetbalclub Eupen was niet de enige ‘voetbalrebel’ de afgelopen maanden.

“Noch Gent als Eupen hebben met hun rebels optreden een ‘bom’ onder de competitie gelegd.”

Voetbalclub AA Gent, die bij monde van haar voorzitter Ivan De Witte als reactie op de juridische démarche van Eupen de clubs nog had opgeroepen om vooral niet naar de rechter te stappen, legde op 27 april een eenzijdig verzoekschrift neer op de rechtbank te Gent teneinde alsnog de geschorste speler Coulibaly te kunnen opstellen in een wedstrijd tegen Standard Luik. Inmiddels is uit de feiten gebleken dat Eupen, noch Gent met hun rebels optreden een ‘bom’ onder de competitie hebben gelegd.

De storm die de klacht van Eupen heeft veroorzaakt is ondertussen – voor even – weer gaan liggen, maar we kunnen niet om de vaststelling heen dat steeds meer sporters en clubs naar de rechter stappen in een geschil met hun sportfederatie. Een club of sporter die naar de burgerrechter stapt, kan in de sportwereld nochtans op weinig begrip rekenen. Het is blijkbaar moeilijk verteerbaar dat het eigen reglement of een beslissing van een bondsorgaan door een lid in vraag wordt gesteld. Merkwaardig daarbij is dat er binnen de sportwereld nog steeds een idee-fixe leeft dat een inmenging van de burgerlijke rechter een nefaste invloed heeft op de werking van de sportfederatie en het verloop van de competitie.[1] De zaak van AS Eupen toont evenwel aan dat clubs en sportfederaties die zich op een professionele manier gedragen, de burgerrechter helemaal niet hoeven te vrezen.

AS Eupen zou op 15 maart 2011 een klacht ingediend hebben bij de Voetbalbond wegens het opstellen van de 17-jarige Jason Adesanya door concurrent Lierse tijdens een inhaalmatch tegen KV Mechelen. “Zou”, want de Voetbalbond vond geen dossier terug met een dergelijke klacht. Volgens de statuten van de Voetbalbond moet een dergelijke klacht behandeld worden door het Sportcomité en in graad van beroep door het Beroepscomité. Op het ogenblik dat Eupen haar vordering bij de Rechtbank instelde, had het Sportcomité zich nog niet over de klacht uitgesproken.

Omdat de club meende dat haar klacht gegrond was, vroeg zij aan de kortgedingrechter om de Voetbalbond te verplichten play-off II en play-off III uit te stellen in afwachting van een beslissing ten gronde over haar klacht. Een redelijk verzoek. Wanneer tijdens de play-offs zou blijken dat de klacht van Eupen gegrond is, kon dit immers een nefaste invloed hebben op het competitieverloop. De beslissing van de Rechter om de play-offs voorlopig uit te stellen hoeft dus niet als een verrassing te worden beschouwd. De Bond had ze zelfs eenvoudig kunnen (moeten) vermijden door de klacht zowel in eerste als in laatste aanleg bij hoogdringendheid te laten behandelen, met andere woorden nog vóór de play-offs een aanvang namen.

Een tijdige uitspraak van de disciplinaire organen van de Bond had dus veel ellende kunnen voorkomen, maar was het voldoende geweest? “Een vette kluif” voor juristen titelde het Laatste Nieuws op 31 maart 2011 over de klacht van AS Eupen. Volgens de club was Adensanya op het ogenblik van de oorspronkelijke matchdatum nog niet in het bezit van een licentie voor eerste klasse. Opdat een speler reglementair zou kunnen worden opgesteld in het betaald voetbal, dient deze over een spelerslicentie te beschikken, en een basisregel daarbij zou zijn dat voor uitgestelde duels de speler speelgerechtigd moet zijn op de oorspronkelijke datum.

Hoe groter de professionaliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze organen, hoe groter het gezag van hun beslissingen, en bijgevolg hoe kleiner de neiging van de leden om hun beslissingen voor de burgerrechter aan te vechten.

Helemaal geen vette kluif dus, gewoon even de feiten toetsen aan het reglement. Het toetsen van de feiten aan de regels is een taak voor de disciplinaire organen. Zij zijn binnen een sportfederatie bevoegd om geschillen te beslechten inzake de naleving van de reglementen en statuten, en kunnen dus een cruciale rol spelen in het vermijden van gerechtelijke procedures. Hoe groter de professionaliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze organen, hoe groter het gezag van hun beslissingen, en bijgevolg hoe kleiner de neiging van de leden om hun beslissingen voor de burgerrechter aan te vechten. Hoe beter de kwaliteit en motivering van hun beslissingen, hoe minder kans dat het resultaat ervan met succes bij de burgerrechter wordt aangevochten.

Een tijdige uitspraak door een competent tuchtorgaan, is echter geen garantie op een procesvrij verenigingsleven wanneer er iets fundamenteels schort aan de eigen regelgeving. “Sport vormt een subcultuur waarbinnen eigen normen gelden”, aldus de Nederlandse rechtsgeleerde mr. H.C.F. Schoordijk.[2] Het bestaan van een dergelijke subcultuur is juridisch werkbaar tot het moment dat sportorganisaties menen zich een uitzonderingspositie te mogen opeisen in het recht.[3] Het recht laat zich namelijk niet tegenhouden door een stadionpoort.[4] De eigen normen en reglementen van sportfederaties moeten in overeenstemming zijn met dwingende wettelijke bepalingen die voor eenieder gelden. Logisch, het recht mag door sommigen dan wel als een storende factor worden beschouwd in het sportgebeuren, het kan niet worden aanvaard dat een sporter of club bij het betreden van de sportarena elke bescherming die het recht hem of haar verleent, zou moeten opgeven.

De vrees voor de burgerrechter is trouwens vaak ook het gevolg van onwetendheid. Zo is niet voldoende gekend dat een burgerrechter een beslissing van een tuchtorgaan pas zal vernietigen wanneer zij is tot stand gekomen door een manifeste schending van de eigen reglementen, wanneer zij strijdig is met een wettelijke bepaling van dwingende aard of wanneer de beginselen van billijkheid en redelijkheid duidelijk niet in acht werden genomen. Dit ‘marginaal toetsingsrecht’ verhindert dat de burgerlijke rechtbank als een vorm van derde aanleg zou worden beschouwd. Binnen dit kader behouden de sportfederaties dus een grote macht inzake interne geschillenbeslechting.

Er is kortom geen rationele grond voor de felle en afkeurende reacties ten aanzien van de sporter of club die zijn gelijk tracht te vinden bij de burgerrechter. Uit schrik voor represailles staan deze er sowieso al weigerachtig tegenover om hun rechten af te dwingen via rechtbanken en procedures. Hierboven werd uiteengezet dat de verantwoordelijkheid voor dergelijke juridische démarches in de eerste plaats ook niet bij de rebelse sporter of club moet worden gezocht .Wel integendeel. Een sportfederatie kan het risico op procedures sterk verminderen. Niet door haar leden te verbieden naar de rechter te stappen, maar door (i) een goede regelgeving te implementeren en (ii) het toezicht op de naleving van die regelgeving over te laten aan onafhankelijke, onpartijdige en competente disciplinaire organen. Tenslotte zal de burgerrechter op basis van zijn marginaal toetsingsrecht pas optreden wanneer het echt de spuigaten uitloopt. En dat is helaas, nog al te vaak het geval.

 

[1] “Elke club heeft het recht om naar de rechter te stappen, maar nog even en een normale competitie is niet meer mogelijk”, reageerde Bondsvoorzitter François De Keersmaecker op de zaak-Eupen (zie http:www.zita.be/nieuw/sport/1267709_bond-blij-met-rode-duivels- maar-bang-voor-uitstel-playoffs.be)

Het land is onbestuurbaar, het voetbal in eerste klasse ook. Clubs uit de Pro League zijn zichzelf en hun competitie aan het vernietigen. Er wordt meer gevoetbald voor de rechtbank dan op het veld” (Belang van Limburg dd. 31 maart 2011, p.26)

[2] H.C.F. Schoordijk, “De normen van maatschappelijke betamelijkheid in sport en spel”, WPNR 1991, 704.

[3] Het IOC gooide onlangs zijn gewicht achter een voorstel waarin de Europese Commissie wordt verzocht zo’n uitzonderingspositie in het arbeidsrecht te creëren, waardoor sporters niet meer naar de gewone rechter zouden kunnen stappen.

[4] Het meest gekende voorbeeld is ongetwijfeld de zaak Bosman waarin het Europees Hof van Justitie de transferreglementering in het voetbal strijdig heeft geacht met het vrij verkeer van werknemers.