Het laboratoriumoordeel als godsoordeel

Jul 13, 2017 | Sportrecht algemeen

De siddering die er telkens door sportland gaat wanneer het nieuws uitlekt dat bij een gekende sportman een verboden substantie werd aangetroffen, blijft een merkwaardige vaststelling. Honderd jaar geleden maakte Pierre de Coubertin, grondlegger van de moderne Olympische Spelen zich druk over het feit dat sommige sporters via training hun atletisch capaciteiten kunstmatig zouden oppompen. Professionele sport werd door de Olympische Beweging tot 1982 als spelbederf gezien. De ware sportman strijdt voor de eer, niet voor het geld, zo luidde het. Ethiek is vluchtig, maar ondertussen geldt een repressief verbodsbeleid.
In zijn opiniestuk dat op 6 oktober jl. in deze krant verscheen, sprak Pieter Bonte, doctoraal onderzoeker aan het Bioethics Institute Ghent, van een heksenjacht op dopingzondaars. Bonte stelde daarentegen wel dat de rechtsgang van onze anti-dopingtribunalen voor geen meter te vergelijken is met die van de heksentribunalen van weleer. Soyons sérieux, zo voegde hij er aan toe.

De juridische praktijk laat nochtans zien dat in de strijd om sport “zuiver” te houden en doping te bannen, alles wat in de laatste decennia is verzonnen om individuen te beschermen, kan worden ongedaan gemaakt. Een eerlijk proces wordt procedureel gewaarborgd via haar bewijsregels : ten eerste hoeft wie vervolgd wordt, zijn onschuld niet te bewijzen, zodat in geval van twijfel de beklaagde vrijuit gaat. Ten tweede moet de vervolgde partij in staat worden gesteld om het aangedragen bewijs te weerleggen en tegenbewijs te leveren. Hier dreigt het in een dopingprocedure mis te lopen.

Het WADA hanteert in dopingzaken het zogenaamde “strict liability-principe”, wat betekent dat de sporter verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van een verboden substantie in zijn of haar lichaam, zonder dat hiervoor enige schuld of nalatigheid in zijn hoofde moet worden vastgesteld. Zelfs al bewijst Contador dat de aanwezigheid van Clenbuterol in zijn lichaam afkomstig is van het eten van een ‘vervuilde” biefstuk, dan nog zal hij aansprakelijk gesteld worden voor een overtreden van de dopingreglementering en mag hij zijn Tour overwinning terug geven.

Anders dan bij bijvoorbeeld de uitontwikkelde alcoholtest, bestaat inzake dopingtesten een minder eenduidige relatie tussen hetgeen bij de test wordt aangetroffen en hetgeen door de betrokkene is ingenomen. Triatleet Rutger Beke en de Britse sprintster Diane Modahl kunnen hierover meespreken. Toch is het zo dat de validiteit van de gebruikte testmethode in principe niet kan worden betwist, en dat Wada-geaccrediteerde laboratoria geacht worden hun analyses correct te hebben uitgevoerd. Slaagt de sporter er in om aan te tonen dat het laboratorium niet volgens de Wada-regels heeft gewerkt, dan wordt hem bijkomend gevraagd aan te tonen dat deze afwijking van de regels redelijkerwijs tot het belastende analyseresultaat heeft geleid. Om dit bewijs te leveren is de sporter vervolgens afhankelijk van de documenten die hem door het WADA, die als vervolger optreedt, worden ter beschikking gesteld in het Laboratorium Documentation Package. In de praktijk is het laboratoriumoordeel als het godsoordeel uit de Middeleeuwen : het is onaantastbaar, soyons réalistes.

Indien Contador van een strafvermindering, of eventueel een opheffing van de schorsingsmaatregel wil genieten, dan zal hij in eerste instantie moeten bewijzen hoe de clenbuterol in zijn lichaam is terecht gekomen. Een kasticket zal dit bewijs niet leveren. In tweede instantie zal de vraag zich opdringen of Contador wel voorzichtig genoeg is geweest. Het WADA en het Internationaal Sporttribunaal hanteren het principe van de ‘utmost caution’. Slechts in de meest uitzonderlijke omstandigheden kan een sporter van een strafvermindering genieten. Het dopingtribunaal kan met deze zaak dus alle kanten uit.

Sportorganisaties nemen in hun strijd voor wat dan heet een “zuivere” sport, draconische juridische maatregelen. Via arbitrage- en bevoegdheidsclausules houden ze de gewone rechter zo ver mogelijk buiten het stadion. Overheden die de Wada-code niet aanvaarden mogen de organisatie van een grote internationale competitie, zoals het WK Voetbal, wel vergeten. Het WADA kan zich zo procedures veroorloven die misschien wel prima facie op een modern proces lijken, maar bij nader inzicht een manifeste schending inhouden van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, zijnde het recht op een eerlijk proces.

En de sporter? Die zwijgt. Zo er voor hem al plaats zou zijn voor een ‘andere’ mening inzake doping, zou het uiten van die mening tot zijn sociale en sportieve uitsluiting leiden, minstens zorgen voor een jarenlange geur als dopingvoorstander.

 

Auteur: Dimitri Dedecker – advocaat sportrecht | zaakvoerder LAWCOM advocaten en incasso