De ene wielrenner is de andere tennisser niet

Jul 13, 2017 | Aansprakelijkheid

De Brusselse kortgedingrechter verklaarde zich op 23 september jl. onbevoegd om te oordelen in de zaak die Iljo Keisse had aangespannen tegen de Vlaamse Gemeenschap en het WADA. Keisse had aan de rechter gevraagd om zijn 2-jarige schorsing op te heffen in afwachting van een uitspraak ten gronde. In tegenstelling tot de tennissers Yanina Wickmayer en Xavier Malisse, ving de Gentse baanwielrenner bot bij de rechter.

Tijdens een dopingcontrole in 2008 op de Wielerzesdaagse van Gent, werd in de urine van Keisse het verboden product HCT (Hydrochloorthiazide) aangetroffen. Keisse diende hierop te verschijnen voor de Disciplinaire Commissie van de Belgische Wielrijdersbond, alwaar de bondsprocureur vroeg om Keisse een schorsing op te leggen van 2 jaar, zijnde de standaardsanctie voor het overtreden van de dopingreglementering. Als een sporter in een individueel geval kan aantonen hoe de verboden stof in zijn lichaam is terechtgekomen en dat hem of haar hiervoor geen schuld of nalatigheid treft, dan kan het tuchtorgaan beslissen om de geldende uitsluitingsperiode van twee jaar op te heffen. Dit is precies wat de Disciplinaire Commissie van de Wielrijdersbond heeft gedaan nadat zij had vastgesteld dat het product dat in de urine was gevonden afkomstig was van een voedingssupplement dat Keisse had ingenomen ten tijde van de monsterneming. Keisse werd dus vrijgesproken.

Het Wereld Antidopingagentschap (WADA), dat niet betrokken was bij de procedure voor de Disciplinaire Commissie, tekende beroep aan tegen de vrijspraak bij het Internationaal Sporttribunaal TAS. Het TAS behandelde de zaak op 1 juni 2010 en vernietigde de beslissing van de Disciplinaire Commissie van de Belgische Wielrijdersbond. Keisse, die op dat moment actief was in de Ronde van Oostenrijk, werd alsnog voor de duur van 2 jaar geschorst en werd onmiddellijk door zijn ploeg op non-actief gezet.

De raadslieden van Keisse hebben daarop via een kortgedingprocedure aan de voorzitter van de Brusselse Rechtbank gevraagd om de UCI te bevelen de beslissing van het TAS op te schorten tot een rechter ten gronde zou geoordeeld hebben over de gevoerde procedure, en dit onder verbeurte van een dwangsom van € 160 000,00. Volgens Keisse waren zijn rechten van verdediging geschonden en is de procedure voor het TAS strijdig met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zo werd de beroepsprocedure gevoerd in een vreemde taal en moest Keisse zelf instaan voor de vertaalkosten, die gelet op de omvang van het dossier al vlug konden oplopen tot enkele tienduizenden euro. Verder vond Keisse dat het TAS de redelijke termijn had overschreden en dat het WADA laattijdig beroep had ingesteld bij het TAS.

Tot een inhoudelijke beoordeling van al deze argumenten is het echter niet gekomen, nu de kortgedingrechter zich onbevoegd heeft verklaard. De rechter stelde in zijn vonnis vast dat Keisse niet betwist dat de beslissing van het TAS een arbitrale beslissing is, en dat hij eerder een document heeft ondertekend waarin hij zich akkoord verklaard heeft dat het TAS in laatste instantie uitspraak kan doen in een dopingprocedure. Daarop oordeelde de voorzitter dat conform de bepalingen van het Verdrag van New York een Zwitserse arbitrale beslissing in principe niet door een Belgische rechtbank kan worden geschorst of vernietigd. Enkel een Zwitserse rechtbank is hiertoe bevoegd.

Over de eventuele strijdigheden van de WADA-reglementering met het Europees Vedrag voor de Rechten van de Mens, werd dus geen uitspraak gedaan. De vaststellingen die in het vonnis werden gedaan roepen evenwel een aantal interessante rechtsvragen op. Ondermeer kan de vraag gesteld worden of het TAS in het kader van het Decreet op het Medisch Verantwoord Sporten, in dopingzaken niet optreedt als een tuchtinstantie zetelend in graad van beroep, in plaats van als een arbitrageorgaan. Ondanks haar naam – tribunaal voor sportarbitrage -, treedt het TAS ook volgens haar eigen reglementering niet alleen op als scheidsgerecht, maar tevens als beroepsinstantie inzake beslissingen van disciplinaire organen van sportorganisaties, in casu van de KBWB. In dat geval zou kunnen verdedigd worden dat de bevoegde rechter deze is van de plaats waar de betrokken sportfederatie haar zetel heeft, in casu Brussel. Wat betreft de instemming van Keisse met het feit dat het TAS in laatste instantie uitspraak zal doen in dopingzaken, dringt zich dan weer de vraag op in welke mate deze instemming op basis van een vrije wil en met kennis van zaken is tot stand gekomen. Keisse had in geval van een weigering om het reglement van de UCI te aanvaarden immers zo goed als zeker geen licentie bekomen vanwege het UCI om als professionele wielrenner aan erkende wedstrijden deel te nemen. De sporter had met andere woorden geen andere keuze dan het reglement te aanvaarden en zich te onderwerpen aan de jurisdictie van het TAS.

Keisse zelf heeft al aangekondigd dat hij in beroep gaat tegen het vonnis van de kortgedingrechter. Wordt dus vervolgd.

 

Auteur: Dimitri Dedecker – advocaat sportrecht | zaakvoerder LAWCOM advocaten en incasso